|
Water … wat een huishouwe! (1)
Klokslag half twee in de middag van zaterdag 4 september trok Jan Visser in de bovenzaal van Museum Dorpsbehoud Veerdam 6 Papendrecht na zijn poëtisch getinte speech ter opening van de tentoonstelling ‘Water … wat een huishouwe!’ heel gedreven aan een koord. De aimabele oud-hoogheemraad van Alblasserwaard en Vijfheerenlanden lichtte aldus doende een blauwe baldakijn van een tafel waardoor een kleurrijke maquette zich voor de vele genodigden kon etaleren.
Voor dit moment suprème lieten drie sprekers hun welgekozen en weloverwogen woorden door de rijk van lokale historische attributen voorziene ruimte dwarrelen. Allereerst was daar de immer voorkomende en voortvarende voorzitter van Stichting Dorpsbehoud Margré van Wijngaarden, die de titel van de expositie verklaarde: ‘De waterhuishouding in Papendrecht is van levensbelang voor alle inwoners, die in de polder wonen, en dat zijn er inmiddels heel veel, maar ook voor de mensen, die de steeds schaarser wordende stukken weiland of tuinland in gebruik hebben.
Om de waterhuishouding op orde te houden is op z’n Papendrechts gezegd een héél huishouwe, vandaar!. Daarnaast is het al vele eeuwen heel belangrijk dat we het water van buiten de dijken ook echt buiten de dijk houden. Dit werd in vroeger jaren behartigd door het Polderbestuur. Watermolens deden trouw hun werk. Er werd samengewerkt met polderbesturen van andere gemeenten, maar op enig moment moesten er maatregelen worden genomen ter vervanging van de watermolens.
Men vergaderde, vergaderde en dat duurde de Papendrechters te lang. Die zeiden: ‘Vergaderen jullie maar lekker even verder, wij regelen het zelf wel.’ En zo werd in 1870 het Watergemaal aan de Noordhoek gebouwd, dat echter in de volksmond nog steeds het ‘watermesien’ heet en dat meer dan een eeuw onze voeten droog gehouden heeft. Na de Watersnoodramp van 1953 heeft het ‘watermesien’ zes weken lang onafgebroken gedraaid om het water uit de polder te krijgen.
Nog steeds vind ik het onbegrijpelijk, dat juist dit instrument moest wijken voor de dijkverzwaring, die in de jaren ’80 en ’90 heeft huisgehouden langs de dijk. Voor mij blijft het ‘watermesien’ een prachtig voorbeeld van het eigen kunnen en doorzettingsvermogen van de Papendrechters. Niet voor niets staat het ‘watermesien’ op de uitnodiging voor deze première en uiteraard is in deze expositie ruime aandacht voor dit voor Papendrecht zo belangrijke gebouw.
Wat een huishouwe! (2)
Vervolgens was het woord aan ir. J. T. W. Visser die 25 jaar hoogheemraad was. Deze memoreerde dat het laagste punt van de Alblasserwaard in Papendrecht ligt , dat toen in 1953 de dijk doorbrak een kind en een man verdronken, dat het water voorbij Molenaarsgraaf kwam en dat de amovering van het ‘watermesien’ als agendapunt op de vergadering van dijkgraaf en hoogheemraden hem bijkans ontschoten is. Voordat Visser aan het koord trok, citeerde hij dichtregels.
En wel van de Dordtse dichter Jan Eijkelboom: ‘Een boom alleen verleent het platte land een aanzien dat het bij al die weidsheid, zo naar de hemel toe nodig had’. Staande bij het tableau met daarop de door Bert Kraal vervaardigde maquette, expliceerde Theo Viveen klip en klaar hoe bij de overstroming door te veel bovenwater in 1809 de rivier de Linge zijn verwoestende werk in de Waard kon doen en dat bij het ‘gat’ in de Noordhoek de watermassa naar buiten kon.
Een tocht naar ‘Wat … een huishouwe!’ beveel ik van harte aan. De tentoonstelling is een must see voor hen die met gevoelens van respect naar het verleden willen blikken en derhalve breng ik een saluut aan de mensen van de Stichting Dorpsbehoud, want zij zorgen er met hun talrijke activiteiten voor dat wij, om met historica Annie Romein-Verschoor te spreken, kunnen omzien in verwondering. In de entree van hun museum brengen zij zelf een hommage aan hun weldoeners.
Onder een ingelijste foto van een echtpaar las ik: ‘Martina Neeltje van de Erve 29-6-1904/6-2-1981 & Abraham Arie Visser 20-9-1904/ 8-4-1971. Op 2 juli 1987 besloot de Gemeenteraad, dat Dorpsbehoud voor 25.000 gulden k.k. eigenaar mocht worden van Veerdam 6, om er een oudheidkundig Museum/Informatiecentrum in te vestigen. Op 3 juli 1987 werden we door de heer J. T. W. Visser, mede namens zijn zuster mevrouw J. E. Hamer–Visser op de hoogte gesteld van hun besluit.
Schenking van dit bedrag, ter blijvende nagedachtenis aan hun overleden ouders, die zich bij leven met hart en ziel Papendrechters voelden en oprechte belangstelling hadden voor het wel en wee van hun dorpsgenoten en het verenigingsleven. Stichting Dorpsbehoud Papendrecht heeft zich ten doel gesteld deze eervolle taak zo goed mogelijk uit te voeren.’ Het gaat niet aan, dat ik u vertel wat er allemaal aan Veerdam 6 te zien is, Veel beter is dat u zelf de schreden er heen richt.
Ik verwijlde lang voor de maquette van watersnoodramp 1809 (hoeveel dijkdoorbraken waren er toen niet!), voor de foto van de vloedsteen in gevel boerderij in buurtschap Hofwegen met de tekst ‘1809 is het water aan desen steen gestegen’. voor de collage met foto’s van de wielen en walen in Papendrecht (de huidige, rustieke getuigen van vroegere overstromingen) en voor de verzameling van postzegels die de strijd tegen het water verbeelden (zo o.a. Rode Kruis en Deltaplan).
De Stichting zou de Stichting niet zijn als zij niet voor Visser een passend geschenk schonkbedacht had: een ingelijste ets van het ‘watermesien’. Onze waard, omvangen en doorsneden door Lek, Noord, Merwede, Linge, Graaf, Alblas moeten wij om zijn schoonheid blijven koesteren. Marsman zegt het zo in ‘Herinnering aan Holland’: ‘de lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord.’ Museum Dorpsbehoud: ‘the place to be’!
= =
Piet Kaptein zelf :
Al jaar en dag prijs ik mij gelukkig dat ik op een zestal kabelkranten, websites en radiostations in de wijde regio van Dordrecht, dus ook via MerweRTV in de Alblasserwaard, lezers en luisteraars verslag mag doen van mijn culturele belevenissen. Ooit had ik bij mijn studie Nederlandse Taal- en Letterkunde in Utrecht Kunstgeschiedenis als bijvak en nu vind ik het heerlijk in mijn ‘nadagen’ de toen opgedane kennis te activeren in mijn teksten over literatuur, tentoonstellingen, film, musical, musea en andere cultuurmanifestaties. Niet dat ik echte recensies debiteer, want het gaat mij enkel en alleen om het vestigen van de aandacht op artistieke producten die ik gelezen, gezien, beleefd of doorleefd heb, die ik goed vind en die op de dagen na publicatie meteen door iedereen te genieten zijn.
Zo mocht ik het hebben over ‘Knielen op een bed violen’ van Jan Siebelink in de wetenschap dat die roman op de schappen in de boekwinkel lag. Zo mocht ik rapporteren over mijn visitatie aan de tentoonstelling ‘Parijs bij nacht. Toulouse-Lautrec’ wetende dat de Kunsthal daarvoor de deuren nog lang wijd open had staan. Zo gaf ik mijn persoonlijke gevoelens wee na het zien van ‘Das Leben der Anderen’ met de notitie dat in Pathé De Kuip die film nog weken zou staan. Zo etaleerde ik mijn bevindingen bij ‘Rembrandt’ overwegende dat deze musical in Nieuwe Luxor nog heel wat keren gebracht zou worden.
Kortom: ik vind het een plezierige bezigheid mijn mensen te attenderen en te trakteren op culturele items die ik de moeite waard vind. Als ik iets heb meegemaakt wat de toets van mijn kritiek niet kan doorstaan, zwijg ik daarover in alle talen. Mijn devies is nu eenmaal: ik breng alleen goed nieuws in mijn Cultuurmix.
|